Ontstaan uit de Binnenlandse Strijdkrachten
de Stoottroepen en hun strijd tegen Duitsland
Bij de bevrijding van Nederland in de jaren 1944-1945 waren veel nationaliteiten betrokken.
Amerikaanse, Britse, Canadese en Poolse troepen hadden samen veruit het grootste aandeel in de geallieerde operaties op ons grondgebied, maar ook Nederlandse militairen waren van de partij. zoals de Prinses Irene brigade en de Korps Commandotroepen. Beiden opgericht in Engeland. Maar ook de Stoottroepen, waarvan de wortels niet in Engeland maar in eigen bodem liggen. De stoters kwamen voort uit het gewapende verzet... ...de Binnenlandse Strijdkrachten.

In de eerste oorlogsjaren waren de plegers van zogeheten "illegale" activiteiten tegen de Duitse bezetter zwak georganiseerd. Geleidelijk kwam daarin verandering. Er vormden zich drie belangrijke groeperingen die zich toelegden op diverse vormen van gewapend verzet:
de Ordedienst (OD), de Landelijke Knokploegen (LK) en de Raad van Verzet (RVV). Ondanks hun grote verschillen in bijvoorbeeld politieke voorkeur ondernamen deze drie organisaties in de loop ban 1944 behoedzame pogingen tot samenwerking. Het was hun voornemen zich na de bevrijding om te vormen tot militaire eenheden en zich aan te sluiten bij de Nederlandse strijdkrachten om openlijk een bijdrage te gaan leveren aan de strijd tegen de Wehrmacht. Op 5 september, Dolle dinsdag, toen de Duitsers zo goede als verslagen leken, riep de Nederlandse regering de Binnenlandse Strijdkrachten in het leven, waarin de OD, de LK en de RVV werden samengebracht. De leden van deze drie organisaties kwamen nu onder de bevelen van prins Bernhard, die twee dagen eerder tot Bevelhebber der Nederlandse Strijdkrachten was benoemd. Tevens kregen deze gewapende strijders een militaire status: zij gingen deel uitmaken va de Koninklijke Landmacht (KL).
Toen de geallieerden vanaf media september – langzamer dan gehoopt en verwacht – de Duitsers stap voor stap uit Zuid-Nederland verdreven, diende zich de mogelijkheid aan om nu daadwerkelijk vanuit de diverse verzetsgroepen de eerste militaire eenheden op de been te brengen. Vele jongens en mannen stonden te popelen om actief aan de oorlogshandelingen te gaan deelnemen. Een belangrijke rol was hierbij weggelegd voor J.J.F. Borgthouts (bekend onder de schuilnaam Peter Zuid), die in de drie zuidelijke provincies de sabotage-activiteiten van de KP coördineerde. OP 21 september had hij in Brussel een ontmoeting met prins Bernhard, van wie de opdracht kreeg om in de reeds bevrijde delen van het land, onder de naam Stoottroepen, de eerste compagnieën in het leven te roepen. Borghouts liet deze taak in Limburg uitvoeren door Bep van Kooten, terwijl deze taak in Noord-Brabant toeviel aan Sjef de Groot. Over de herkomst van de naam ‘Stoottroepen’ valt overigens niets met zekerheid te zeggen.

Als gevolg van het trage en grillige verloop van de bevrijding maakte de Commando’s Limburg en Brabant van de Stoottroepen een gescheiden en ook zeer verschillende ontwikkeling door. Omdat het zuiden van Limburg tamelijk vlot in handen van het Amerikaanse leger viel, was er daar sprake van een snelle troepenopbouw. Aan vrijwilligers was geen gebrek, waardoor het mogelijk was een strenge selectie toe te passen. Al op 6 oktober werden 6 compagnieën Stoottroepen ingezet in de frontlijn tussen Susteren en Waubach. Eind november waren al drie bataljons, in totaal ongeveer 1.800 man, opgericht en toegevoegd aan het Negende Amerikaanse Leger.
Deze drie eenheden werden op 32 januari 1945 omgevormd tot light infantry battalions die onder naam Regiment Limburg Stoottroepen (RLS) formeel bij de KL werden ingedeeld. Ruim twee maanden later trok dit regiment in het kielzog van de Amerikanen Duitsland binnen, waar het overigens zeer verspreid zou worden ingezet. De stoters verrichten daar menigmaal hachelijk werk. Zo kregen zij dikwijls de taak om achter de frontlijn gelegen verzetshaarden, die door de voorste gevechtseenheden waren onttrokken, op te ruimen.
De Stoottroepen traden meer dan eens moedig en standvastig op. Zo raakte een compagnie van het 3e bataljon RLS tijdens de opmars naar Berlijn, samen met een klein Amerikaans detachement pantserwagens, ter hoogte van Braunschweig volledig ingesloten.
|
|
Nadat de Amerikanen overal vijand hadden bespeurd, zagen zij geen andere uitweg dan zich over te geven. De fanatieke stoters wilden daar echter niets van weten. Zij hielde stand en werden uiteindelijk door een grote troepeneenheid ontzet. Na de capitulatie vertoefden de drie bataljons in Duitsland, waar zij nu werden belast met het bewaken van interneringskampen waar SS’ers en oorlogsmisdadigers opgesloten zaten. Improvisatie was in die dagen een van de sleutelbegrippen uit het woordenboek van de Stoters, bijvoorbeeld als het erom ging de mobiliteit te garanderen. Zo vermeldde het blad de Pen Gun op 20 juli 1945 over de RLS: "Het wagenpark van dat regiment waseen verzamelplaats van de meest uiteenlopende curiosa: SS-pantserwagens stonden broederlijk naast de meest chique en allerdegelijkste Daimler-Benz’s."
In Noord-Brabant, dat tussen 17 september en 9 november 1944 schoksgewijs werd bevrijd, kwamen de compagnieën Stoottroepen meer geleidelijk van de grond. Die wat langzamere start hield echter ook verband met het feit dat een actief verzetsverleden hier een stringentere voorwaarde voor toetreding was dan in Limburg. Niettemin werden de eerste compagnie al op 10 oktober ingezet bij het Tweede Britse Leger bij Wamel aan de Waal. In die beginfase hadden de stoters nog geen uniformen. Zij liepen in burgerkleding, terwijl sommigen aan de voeten zelfs de oer-Nederlandse klompen droegen. Uitrusting hadden zij niet of nauwelijks, de voeding was mager, de bewapening bestond dikwijls uit een Duitse geweer, terwijl van een goede opleiding hoegenaamd geen sprake was. Dat deze mannen zich toch aan het front meldden, was tekenend voor hun enthousiasme en voor hun vastberaden wil een steentje aan de ondergang van het gehate Derde Rijk bij te dragen. In Januari 1945 was het commando Brabant zodanig gegroeid dat ook hier drie bataljons konden worden gevormd. Tijdens de koude wintermaanden werden de stoters van dit commando vooral ingezet langs het door Nederland lopende rivierenfront. Langs de maas en de Waal, bij het volkerak en op Sint Phillipsland, Tholen en Zuid-Beverland liepen ze bij duisternis m, ar ook bij daglicht talloze vaak riskante patrouilles. De dreiging was veelvormig. Een peloton kon tussen de linies, in niemandsland op een vijandelijke patrouille stuiten, het kon in het vizier van een sluipschutter lopen, het kon in een plotselinge mortier of artilleriebeschieting verzeild raken, terwijl het mijnengevaar doorgaans erg groot was. Omdat ook de Duitsers actief bleven en regelmatig speldenprikken probeerden uit te delen, kwam het geregeld tot schermutselingen. De kou en de alom aanwezige modder maakten het leven aan het front er vaak bijzonder ellendig op. Soms was verveling de grootste vijand, bijvoorbeeld wanneer de stoters in het achterland saaie bewakingsdiensten draaiden bij brandstof- of munitiedumps. Ook de minder enerverende taken werden door de stoters echter uitgevoerd, zo schreef de legerkoerier in 1954: "met trots van recruten op een ouderdag".

Toen het front in het voorjaar van 1945 weer in beweging kwam trokken de compagnieën van het commando-Brabant mee in de richting van Duitsland Een daarvan van de Margrietcompagnie.
Onder leiding van Stephke Feyen. Deze eenheid werd op 21 fabruari vanuit Oss naar het Reichswald overgeplaatst, om van daaruit samen met de Canadezen bij Emmerich de Rijn over te trekken. Vervolgens namen de mannen van Feyen deel aan de snelle bevrijding van Oost Nederland, waarbij zij een groot aantal Duitsers krijgsgevangen maakten. De meeste andere compagnieën die langs het rivierenfront hadden gelegen, kwamen uiteindelijk terecht in het beneden Rijngebied, waar zij verder werden opgeleid om daarna in Kleef en omgeving te worden ingezet bij de bewaking van krijgsgevangenen en allerhande opslagplaatsen. Een hoogtepunt in de toen nog jonge geschiedenis van de stoottroepen speelde zich af op zondag 18 maart 1945. Op die dag deed Koningin wilhelmina tijdens haar rondreis door bevrijd Nederland Tilburg aan. Het 2e bataljon van het commando-Branbant stond aangetreden om voor de vorstin te defileren. Na afloop van die plechtigheid inspectyeerde het staatshoofd het bataljon, waarbij zij de woorden sprak: "En dit regiment zal blijven bestaan" Daarmee gaf zij aan dat de Stoottroepen inmiddels niet meer uit de Koninklijke Landmachtwaren weg te denken.
De woorden van de Koningin bleken profetisch. Het Regiment Stoottroepen, dat in 2002 het predicaat "Prins Bernhard" kreeg, maakt nog altijd deel uit van de KL. Dit regiment, waarvan de 13 infanteriebataljon Luchtmobiel de belangrijkste parate eenheid is, houdt op diverse manieren de herinnering aande bijhzondere ontstaanswijze van de stoottroepen en hun krijgsverrichtingen tijdens de tweede wereldoorlog levend. Zo zijn er op de Johan Willen FrisoKkazerne in Assen gebouwen vernoemd naar ondermeer Borghouts alias Peter Zuid, De Groot,, Van Kooten, Feyen, en ook Jacques Ceasborn (de opvolger van Borghouts). In beneden leeuwen staats sinds 1949 een kapel, omgeven door een ereveld, waar jaarlijks op de tweede zondag in oktober alle stoters worden herdacht die sinds 21 september 1944 zijn gesneuveld. Voor zijn optreden ten tijde van de Tweede Wereldoorlog had dit regiment een zware tol betaald. 104 stoters kwamen om. Dit hoge slachtoffercijfer was mede te verwijten aan het gebrek aan opleiding, ervaring, uitrusting en bewapening.
 |